De heer en mevrouw Punt-Muts

Er werd op de voordeur geklopt. Ik deed open en daar stonden twee kabouters in kleurige kledij. ‘Goedemorgen,’ zei de eerste, ‘ik ben Floris Punt.’ ‘Ellen Muts,’ vulde de tweede aan. Ik schoot in de lach: ‘Dus samen zijn jullie Punt-Muts?’ Hun gezichten vertrokken. ‘Precies daarom staan we hier,’ zuchtten ze. ‘We willen van die naam af, maar de gemeente helpt geen kabouters. U zit toch in de stadsraad?’
Vijfentwintig centimeter hoge burgers met een administratief probleem – daar had ik nog nooit mee te maken gehad.. Ik liet ze binnen, schonk thee in espressokopjes die in hun handen alsnog soepkommen leken en luisterde. “Punt-Muts” was overal steeds een onverzadigbare bron van spot. Ze wilden hun namen veranderen in Floris Tuinen en Ellen Hoven, maar zonder burgerservicenummer besta je niet en zonder bestaan verander je geen naam.

Ik beloofde actie. Die middag schreef ik een vurige brief over inclusie – het creëren van een omgeving waar iedereen zich geaccepteerd, gewaardeerd en welkom voelt.
Tot mijn verbazing lag er drie dagen later al antwoord op de mat. Burgerzaken, in overleg met Fabeldierenregistratie en – waarom ook niet – Rioolbeheer, bevestigde dat kabouters officieel ‘niet bestaan’ en dus buiten Burgerzaken vallen. Toch voegde de medewerker Inclusieve identiteiten een bijlage toe: de kersverse “Gemeentelijke Procedure voor Niet-Geregistreerde Mythische Wezens (GPNMW)”.
De regeling was ceremonieel maar wel kabouterproof.

Benodigd:
Een zelfgetekende verklaring met de gewenste namen (op papier, boomschors of paddenstoelhoed toegestaan).
Eén menselijke getuige (ik dus).
Een symbolische druk op het stadhuisklokje tussen 08:00-08:05 of exact bij zonsondergang. Het klokje werd verplaatst naar dertig centimeter hoogte.
Als tegenprestatie: het planten van drie viooltjes op openbaar terrein.

Floris en Ellen sprongen vijf centimeter de lucht in van blijdschap. We spraken de volgende morgen al af bij de gemeente. De ceremonie was kort maar betoverend: een ping van het klokje, drie viooltjes in de bloembak van de parkeerwacht, een handtekening op een paddenstoelhoed. Vanaf dat moment heetten zij officieel Tuinen en Hoven.

Floris en Ellen wonen nu in mijn achtertuin. Overdag bewaken ze de sla; ’s nachts zijn ze stand-by tegen de mollen. Onze grootste discussie gaat nog slechts over wie steeds de worteltjes opeet (ik verdenk de egel). En wanneer ik de straat uitloop, weet ik dat er ergens in het gras of in het bos onder het bladerdek twee kleine wezens vrij rondlopen met een naam waar niemand ze mee pest. Dat, dacht ik, is inclusie in één woord.

Blog Verhalen
Deel het bericht

Andere berichten

Contactformulier

Scroll naar boven